Amerikaanse toverhazelaar (Hamamelis virginiana): profiel

13 Min Leestijd
9 Referenties
Published on Last updated on

Hamamelis virginiana is een forse loofverliezende struik, soms een kleine boom met meerdere stammen, die de onderetage van de loofbossen in oostelijk Noord-Amerika bewoont. Zij behoort tot de Hamamelidaceae, een familie waarvan de ongeveer dertig geslachten en net geen honderd houtige soorten verspreid voorkomen in gematigd Azië, Noord-Amerika, zuidelijk Afrika en Australië. Binnen dat geheel is Hamamelis een klein en oud geslacht, en deze soort beslaat er het grootste aaneengesloten areaal van.

Hamamelis virginiana, grote loofverliezende struik van de onderetage in oostelijke Noord-Amerikaanse loofbossen, met gele lintvormige bloemen tussen oktober en december.
Grote loofverliezende struik van de onderetage in oostelijke Noord-Amerikaanse loofbossen, met gele lintvormige bloemen tussen oktober en december.

Bijzonder is de kalender, niet het formaat. Terwijl de rest van het gematigde bos in rust gaat, opent zij tussen oktober en december gele bloemen met lintvormige kroonbladen, wanneer vrijwel geen andere houtige soort in datzelfde bos nog bloeit. De cyclus loopt bijna een heel jaar door, zodat rijpe doosvruchten van het vorige seizoen aan dezelfde takken hangen als de verse bloemen, een combinatie die in het veld het betrouwbaarste herkenningspunt is.

Deze pagina bundelt het botanische profiel van de soort: classificatie, morfologie, areaal, teelt, fenologie, verwantschappen, fytochemie, etnobotanie en beschermingsstatus.

Taxonomie van Hamamelis virginiana

Linnaeus beschreef de soort in 1753 in het eerste deel van Species Plantarum, en die naam is sindsdien onveranderd aanvaard. De familie Hamamelidaceae werd pas later in de Saxifragales geplaatst, nadat moleculair-fylogenetisch onderzoek de oude orde Hamamelidales had ontmanteld.

  • Afdeling: Tracheophyta
  • Familie: Hamamelidaceae
  • Geslacht: Hamamelis Gronov. ex L.
  • Klasse: Magnoliopsida
  • Onderfamilie: Hamamelidoideae
  • Orde: Saxifragales
  • Rijk: Plantae
  • Soort: Hamamelis virginiana L., Sp. Pl. 1: 124 (1753)
  • Tribus: Hamamelideae

IPNI registreert de protoloog als Species Plantarum 1: 124 uit 1753, en POWO aanvaardt twee infraspecifieke taxa: var. virginiana, verspreid over het hele Noord-Amerikaanse areaal, en var. mexicana (Standl.) C.Lane, beperkt tot de bergketens van Coahuila en Nuevo León in het noordoosten van Mexico. Dat tweede taxon verscheen in 1937 als zelfstandige soort, Hamamelis mexicana Standl.

Het homotypische synoniem is Trilopus virginiana (L.) Raf. uit 1838, en daarnaast circuleerden negentiende-eeuwse namen zonder huidige geldigheid, onder meer H. dioica Walter en H. macrophylla Pursh. De geslachtsnaam zelf gaat terug op het oudgriekse hamamelis, en de gangbare lezing splitst dat woord in hama, samen, en melon, appel of boomvrucht, naar de bloemen en vruchten die tegelijk aan dezelfde tak zitten. Het epitheton virginiana verwijst naar het koloniale Virginia, vanwaar de eerste collecties naar Europa vertrokken.

Morfologische beschrijving

De soort groeit als een grote loofverliezende struik tot kleine boom, meestal 3 tot 5 meter hoog, tot 8 meter in gunstige omstandigheden en bij uitzondering rond 10 meter. De stam blijft kort, en door krachtige uitloop vanaf de voet staan er bijna altijd meerdere bijeen, wat open, onregelmatige struiken met zigzaggende takken oplevert. De schors is jong glad en grijs tot bruin en wordt met de jaren licht schilferig; jonge twijgen dragen roestbruine haren die in het tweede jaar verdwijnen. De groei is traag, 10 tot 20 centimeter per jaar, en in oude bossen zijn exemplaren van meer dan honderd jaar gedocumenteerd.

Bladeren

De bladeren staan verspreid en zijn enkelvoudig, met vroeg afvallende steunblaadjes die zichtbare littekens nalaten. De bladschijf is omgekeerd eirond tot breed elliptisch, 7 tot 15 bij 5 tot 10 centimeter, met een afgeronde top en een golvend gekartelde rand met brede, afgeronde tanden. De basis levert het bruikbaarste kenmerk: duidelijk asymmetrisch, met de ene helft lager op de behaarde bladsteel aangehecht dan de andere. De nervatuur is veervormig, met 5 tot 7 paar zijnerven, ingezonken op de donkergroene matte bovenzijde en uitspringend op de lichtere onderzijde, die op de nerven stervormige haren draagt. In de herfst kleurt het blad egaal goudgeel.

Bloemen

De bloemen staan in korte okselstandige kluwens van twee tot vier stuks. Elke bloem telt vier korte kelkbladen, binnen geelgroen en buiten met roestbruine haren bezet, en vier lintvormige kroonbladen van 10 tot 20 millimeter, lichtgeel tot diepgeel en zelden roodachtig aan de voet, die in de knop spiraalvormig opgerold liggen. Vier korte meeldraden met scharnierend openspringende helmknoppen wisselen af met vier sterk verbrede staminodiën die als nectarklier werken, en het vruchtbeginsel bestaat uit twee vruchtbladen en is half onderstandig, met twee korte uiteenwijkende stijlen. De geur is zwak en zoetig. Zakt de temperatuur, dan rollen de kroonbladen zich op om zich bij warmer weer opnieuw te ontplooien.

Vruchten en zaden

De vrucht is een houtige, behaarde, eironde doosvrucht van 10 tot 14 millimeter, bekroond door twee hoornvormige punten die de verdroogde stijlen zijn. De rijping vraagt ongeveer twaalf maanden vanaf de bloei, waardoor rijpe vruchten en nieuwe bloemen aan dezelfde tak hangen. Het openspringen verloopt explosief, doordat de vruchtwand ongelijk uitdroogt en de oplopende spanning de kleppen uiteendrijft. Elke doosvrucht bevat twee langwerpige zaden van 5 tot 9 millimeter, zwart en glanzend, die tot bijna negen meter van de moederplant worden weggeschoten.

Wortel en stengel

Het wortelstelsel is diffuus: de penwortel blijft zwak ontwikkeld en de zijwortels nemen het over, geconcentreerd in de bovenste 60 centimeter. De stamvoet vormt gemakkelijk adventieve scheuten, vanaf de wortelhals en vanaf oppervlakkige wortels, en daaraan dankt de plant haar meerstammige struikvorm en haar snelle herstel na kap of mechanische schade. De knoppen zijn naakt, zonder beschermende schubben en enkel door haren bedekt.

Verspreiding en habitat

De soort is inheems in oostelijk Noord-Amerika. In Canada groeit zij in New Brunswick, Nova Scotia, Ontario en Quebec; in de Verenigde Staten beslaat het areaal vrijwel het hele gebied ten oosten van de Great Plains, van Maine en Minnesota in het noorden tot Florida, oostelijk Texas en Louisiana in het zuiden. In Mexico komt de variëteit mexicana voor op geïsoleerde plekken bergbos in Coahuila en Nuevo León.

De gebruikelijke standplaats is de onderetage van loofbossen en gemengde bossen met esdoorn, berk, eik en beuk, op halfbeschaduwde hellingen, in rotsige ravijnen en op beboste beekoevers. Het hoogtebereik loopt van zeeniveau tot ongeveer 1500 meter. De soort geeft de voorkeur aan zure tot licht zure, frisse, humusrijke bodems met een goede strooisellaag, al worden drogere hellingen verdragen. Het klimaat is gematigd continentaal tot gematigd vochtig met strenge winters, die geen zichtbare schade aan het houtige weefsel nalaten.

Buiten dat areaal staat zij al ruim twee eeuwen in Europese en Oost-Aziatische collecties zonder vastgesteld invasief gedrag: trage groei, gebondenheid aan zure bosgrond en een korte verspreidingsafstand beperken de kans op ontsnapping.

Teelt

Vermeerdering uit zaad vraagt het doorbreken van een dubbele kiemrust. De doosvruchten worden vóór het explosieve openspringen geoogst, en het zaad heeft eerst een warme en daarna een koude periode nodig, zodat opkomst pas in de tweede lente na het zaaien volgt. Zaailingen groeien traag. Halfhoutige stek uit het begin van de zomer wortelt met wisselende percentages, en voor sierrassen, zeker die van de hybride Hamamelis × intermedia, is enten op onderstam van H. virginiana de kwekerijstandaard.

De plant gedijt in halfschaduw en in volle zon, maar bloeit dichter zodra zij enkele uren direct licht krijgt. De bodem moet zuur zijn, pH 4,5 tot 6,5, fris, doorlatend en rijk aan organische stof; kalkrijke substraten en langdurige verzadiging met water verdraagt zij niet. Een jaarneerslag van 800 tot 1500 millimeter past bij de natuurlijke situatie, en snoei blijft beperkt tot dood of kruisend hout aan het eind van de winter.

Van de begeleidende organismen valt de bladluis Hormaphis hamamelidis het meest op, met kegelvormige gallen op de bovenzijde van het blad die de groeikracht nauwelijks raken. Onder de ziekten komen meeldauw in de nazomer, bladvlekken door Phyllosticta hamamelidis en wortelrot door Armillaria mellea op natte grond voor. De eerste bloei valt bij zaailingen tussen het zesde en het tiende jaar en bij geënte planten eerder. Takken en schors worden in de winterrust gesneden, met rotatie tussen percelen en hergroei vanuit de stobbe, een praktijk die in Connecticut sinds de negentiende eeuw met de industriële verwerking verbonden is.

Fenologie

De bloei valt in de herfst en het begin van de winter op het noordelijk halfrond, met een zwaartepunt in oktober en november en een uitloop tot in december bij zuidelijke populaties. Die verschuiving ten opzichte van de overige houtige soorten is het bepalende fenologische kenmerk, en de bloei rekt zich over weken uit door het oprolmechanisme van de kroonbladen dat onder Bloemen is beschreven.

De bestuiving berust op insecten die laat in het seizoen nog vliegen, wanneer het bloemenaanbod minimaal is. Tot de bezoekers horen tweevleugeligen en microvlinders, en onderzoek schrijft een deel van de nachtelijke bezoeken toe aan uilvlinders, die hun lichaamstemperatuur vóór de vlucht met spiertrillingen opvoeren. De nectargift per bloem is klein, maar concurrentie ontbreekt in die weken vrijwel volledig.

De vruchtzetting wordt pas in het volgende najaar voltooid, ongeveer twaalf maanden na de bloei. De primaire verspreiding is ballistisch, over meerdere meters, waarna mieren op het voedzame zaadweefsel afkomen en knaagdieren en zaadetende vogels een deel wegdragen en begraven. De kieming blijft doorgaans uit tot het tweede gunstige seizoen.

Verwante soorten en verwarring

Het geslacht Hamamelis telt weinig soorten, met een disjuncte verspreiding tussen Noord-Amerika en Oost-Azië. De referentielijsten erkennen H. japonica Siebold & Zucc. uit Japan, H. mollis Oliv. uit China, H. vernalis Sarg. uit het zuidelijke midden van de Verenigde Staten en H. virginiana zelf, aangevuld met H. ovalis S.W.Leonard, in 2006 beschreven naar populaties in zuidelijk Mississippi. De tuinbouwhybride Hamamelis × intermedia Rehder, een kruising van de twee Aziatische soorten, levert het grootste deel van de sierrassen.

De verwarring ontstaat het vaakst met H. vernalis, en de bloeitijd beslecht de zaak: die soort uit de Ozarks bloeit tussen januari en maart, H. virginiana in de herfst. De kroonbladen van H. vernalis zijn bovendien korter en vaak rood of oranje aan de voet. H. ovalis herkent men aan grotere, rondere bladeren en aan roodpurperen kroonbladen, uniek in het geslacht, terwijl de Aziatische soorten in de winter bloeien en in Amerika enkel in cultuur staan.

Buiten het geslacht is Corylus americana de klassieke dubbelganger, met dezelfde bladvorm, gekartelde rand en scheve voet, maar de hazelaar draagt aan het eind van de winter hangende mannelijke katjes en vruchten in een bladachtig omhulsel, nooit gele lintbloemen. Ook Fothergilla, uit dezelfde familie, heeft vergelijkbaar loof, maar bloeit in het voorjaar met witachtige aren zonder kroonbladen. Scheve bladvoet, brede afgeronde tanden en gele lintbloemen in de herfst vormen samen een diagnostische combinatie.

Fytochemie

Het chemische profiel wordt beheerst door fenolische verbindingen, met de hydrolyseerbare tannines voorop. De kenmerkende marker is hamamelitannine, een galloylester van hamamelose, vergezeld van galloyl-hamameloses en van glucosegallotannines met vijf tot tien eenheden galluszuur. De gecondenseerde fractie bestaat uit proanthocyanidinen opgebouwd uit catechine, epicatechine en epigallocatechine, en analyses plaatsen de hydrolyseerbare tannines op ongeveer vier vijfde van het totale polyfenolgehalte.

Vloeistofchromatografie laat in de schors een gehalte aan hamamelitannine zien dat tientallen malen hoger ligt dan dat van het blad en bijna honderd maal hoger dan dat van de stengel, terwijl de totale tanninegehalten tussen 8 en 12 procent in de schors en tussen 3 en 10 procent in de bladeren liggen.

Naast de tannines staan geglycosyleerde flavonoïden: astragaline en andere kaempferolderivaten, isoquercitrine, quercitrine en myricetine, dat vooral aan het blad gebonden is. Fenolzuren vullen het beeld aan, met galluszuur en cafeoylchinazuren voorop, en de kleine vluchtige fractie omvat hexenol, eugenol en sporen van safrol. Omdat tannines niet vluchtig zijn, bevat het destillaat uit takken ze vrijwel niet, terwijl in hydroalcoholische extracten van de schors juist de tanninefractie overheerst.

Geschiedenis en etnobotanie

De plant neemt een prominente plaats in binnen de etnografie van het noordoosten van Noord-Amerika. Bronnen uit de achttiende en negentiende eeuw noteren dat volkeren als de Irokezen, de Mohegan, de Osage en de Potawatomi schors en bladeren traditioneel in kompressen en baden op de huid toepasten, gebruiken die Engelse kolonisten deels overnamen.

De Engelse naam witch hazel is minder pittoresk van herkomst dan hij lijkt. Het eerste deel gaat terug op het Middelengelse wiche of wych, dat buigzaam betekende en op bomen met soepele takken sloeg, en niet op het woord voor heks, waarmee het door klankverschuiving samenviel; het tweede deel verwijst naar de gelijkenis van het blad met dat van de Europese hazelaar. Diezelfde buigzaamheid bracht kolonisten ertoe de takken als wichelroede te gebruiken bij het zoeken naar grondwater.

Linnaeus baseerde de naam in 1753 op materiaal uit Virginia. In de jaren 1840 begon in Connecticut de commerciële destillatie, verbonden met de naam Thomas Newton Dickinson, en sindsdien is die staat het zwaartepunt van de wereldproductie van het destillaat, dat in de twintigste eeuw werd opgenomen in officiële farmaceutische compendia van verschillende landen. Henry David Thoreau noteerde in zijn dagboeken herhaaldelijk de gele bloemen in november, en het beeld van de struik die bloeit wanneer het bos zich al heeft teruggetrokken keert terug in de natuurliteratuur van New England.

Instandhouding

De Rode Lijst van de IUCN plaatst Hamamelis virginiana in de categorie Least Concern (LC), op grond van het uitgestrekte areaal, de talrijkheid in de onderetage en het uitblijven van een noemenswaardige afname. De soort staat in geen enkele CITES-bijlage en evenmin op nationale lijsten van bedreigde planten.

De belangrijkste drukfactor is de zware begrazing door het witstaarthert, Odocoileus virginianus, waarvan de aantallen in het oosten van de Verenigde Staten sterk zijn toegenomen en dat de verjonging van de onderetage in versnipperde bossen onderdrukt. Omzetting van oud bos naar landbouw of stad verkleint de voorkeurshabitat, en de commerciële oogst van takken zet plaatselijk druk op de populaties, al verloopt die oogst in rotatie en steunt hij op het sterke hergroeivermogen. H. ovalis, beperkt tot enkele populaties in zuidelijk Mississippi, geldt in regionale inventarissen van zeldzame flora als aandachtssoort.

Wetenswaardigheden

  • Verse bloemen en rijpe vruchten van het voorgaande seizoen komen tegelijk aan dezelfde tak voor, een ongewone situatie bij houtige soorten uit gematigde streken en waarschijnlijk de oorsprong van de geslachtsnaam.
  • Het openspringen van de doosvrucht is hoorbaar: verzamelaars die rijpe vruchten in papieren zakken bewaren, melden dagenlang tikkende geluiden.
  • De lintvormige kroonbladen vormen een omkeerbaar vorstbeschermingsmechanisme door zich bij kou op te rollen en zich bij warmte weer te ontvouwen.
  • De bladluis Hormaphis hamamelidis wisselt in laaglandpopulaties van waardplant en gaat over op de rivierberk, Betula nigra.
  • De verspreiding van het geslacht, verdeeld tussen Oost-Azië en oostelijk Noord-Amerika, herhaalt een patroon dat ook bij Liquidambar en Liriodendron voorkomt en teruggaat op meer aaneengesloten floragebieden uit het Tertiair.

Let op: deze inhoud is informatief en vervangt geen professioneel medisch advies. Raadpleeg een arts of fytotherapeut voordat u geneeskrachtige planten gebruikt, vooral tijdens zwangerschap, borstvoeding of bij medicijngebruik.

Referenties en wetenschappelijke studies

9 Geciteerde Referenties

Gebaseerd op 9 geciteerde referenties (2 Peer-Reviewed, 7 Aanvullende).

Bekijk Alle 9 Geciteerde Referenties

Peer-Reviewed Wetenschappelijke Studies (2)

  1. DOI1988 Vennat, B., Pourrat, H., Pouget, M. P., Gross, D., Pourrat, A. Tannins from Hamamelis virginiana. Planta Medica, 54(5), 454-457. 1988. ↗
  2. DOI2010 Xie, L., Yi, T. S., Li, R., Li, D. Z., Wen, J. Evolution and biogeographic diversification of the witch-hazel genus. Molecular Phylogenetics and Evolution, 56(2), 675-689. 2010. ↗

Aanvullende Literatuur (7)

  1. 1997 Flora of North America Editorial Committee. Hamamelis virginiana L. Flora of North America North of Mexico, vol. 3. Oxford University Press, New York. 1997.
  2. International Plant Names Index. Hamamelis virginiana L., Sp. Pl. 1: 124 (1753). Royal Botanic Gardens, Kew. ↗
  3. IUCN. Hamamelis virginiana. The IUCN Red List of Threatened Species. Least Concern (LC).
  4. 2006 Leonard, S. W. A new species of witch-hazel (Hamamelis: Hamamelidaceae) apparently endemic to southern Mississippi. Sida, 22(2), 849-856. 2006.
  5. Linnaeus, C. Species Plantarum, vol. 1, p. 124. Laurentius Salvius, Stockholm. 1753.
  6. Plants of the World Online. Hamamelis virginiana L. Royal Botanic Gardens, Kew. ↗
  7. Standley, P. C. Studies of American plants. Publications of the Field Museum of Natural History, Botanical Series, 17, 192. 1937.
Is de vertaalkwaliteit van dit artikel naar tevredenheid?
Wat vond u van dit artikel?
Gemiddelde beoordeling: -
Last updated on

De Hamamelis virginiana is een grote loofverliezende struik van de onderetage van de loofbossen in oostelijk Noord-Amerika, bekend om zijn late herfstbloei.

Natugreens

Natugreens

Herbs and Medicinal Teas