Woordenlijst van Botanische en Fytotherapeutische Termen

A

alkaloïde

De meeste alkaloïden bevatten stikstof in een heterocyclische ring en zijn afgeleid van aminozuren. Bekende voorbeelden zijn cafeïne, kinine, morfine en nicotine. Veel alkaloïden zijn al in kleine hoeveelheden biologisch actief en sommige zijn giftig, waardoor een juiste determinatie van de plant en voorzichtigheid bij gebruik onmisbaar zijn. De eigenschappen lopen per verbinding sterk uiteen.

Zie ook: fytochemische stof, glycoside

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

anthocyaan

Anthocyanen zijn glycosiden van anthocyanidinen, zoals cyanidine, delfinidine en malvidine, en zitten opgelost in de vacuole van de cel. De kleur hangt af van de zuurgraad: in zuur milieu neigt ze naar rood, bij een hogere pH naar blauw of groen, waardoor extracten die rijk zijn aan deze pigmenten als pH-indicator bruikbaar zijn. Ze zijn gevoelig voor licht, warmte en zuurstof, wat de kleur van extracten en voedingsmiddelen tijdens bereiding en bewaring beïnvloedt.

Zie ook: carotenoïde, flavonoïde, glycoside

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

aromatisch

In de plantkunde is een aromatische plant een plant die vluchtige geurstoffen aanmaakt en opslaat, vooral terpenen en fenylpropanoïden, de bestanddelen van etherische olie. Deze stoffen zitten in gespecialiseerde structuren, zoals klierharen op bladeren, olieklieren in vruchtschillen en secretiekanalen in stengels en wortels, en komen vrij wanneer het weefsel wordt gekneusd of verwarmd. Families als Apiaceae, Lamiaceae en Myrtaceae tellen veel aromatische soorten. In de organische chemie heeft aromatisch een andere betekenis, verbonden met ringstructuren zoals die van benzeen en niet met geur.

Zie ook: bloeiwijze, kruidachtig

Bron: terminologie van de economische plantkunde

B

basioniem

Wanneer een soort naar een ander geslacht verhuist, blijft het oorspronkelijke epitheton meestal behouden en vormt het samen met de nieuwe geslachtsnaam een nieuwe combinatie. De oorspronkelijke naam heet dan het basioniem, en de auteur ervan komt tussen haakjes in de nieuwe naam te staan. Bij Picea abies (L.) H.Karst. is bijvoorbeeld Pinus abies L., beschreven door Linnaeus, het basioniem.

Zie ook: botanisch synoniem, geaccepteerde naam

Bron: International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (ICN)

bijwerking

In ruime zin noemt de farmacologie elk effect naast de beoogde werking een bijwerking of nevenwerking, ook als het geen schade doet. De Europese geneesmiddelenwetgeving gebruikt het woord bijwerking in strikte zin: een schadelijke en onbedoelde reactie op een geneesmiddel. Op die definitie berust de geneesmiddelenbewaking. Ook kruidengeneesmiddelen en andere plantaardige producten kunnen zulke bijwerkingen veroorzaken, en in Nederland kunnen patiënten en zorgverleners die melden bij Bijwerkingencentrum Lareb.

Zie ook: contra-indicatie, geneesmiddeleninteractie, toxiciteit

Bron: Richtlijn 2001/83/EG (definitie bijwerking); WHO-definities voor geneesmiddelenbewaking

bladverliezend

Een bladverliezende plant laat haar blad seizoensgebonden vallen en staat een tijd kaal, wat het waterverlies en de schade door kou beperkt. Het tegendeel is een groenblijvende plant, die het hele jaar blad draagt en dat geleidelijk vervangt. Daarnaast zijn er halfgroenblijvende soorten, die slechts een deel van hun blad verliezen. Voor andere organen die afvallen nadat ze hun functie hebben vervuld, zoals steunblaadjes of kelkbladen, gebruikt de plantkunde de term afvallend.

Zie ook: overblijvend, struik

Bron: standaard botanische terminologie

bloeiwijze

De bloeiwijze is de manier waarop bloemen op de plant gerangschikt zijn wanneer ze niet afzonderlijk staan. De steel die het geheel draagt heet de bloeiwijzesteel, en de as waaraan de bloemen staan de spil. Typen worden onderscheiden naar de volgorde waarin de bloemen opengaan en naar de vorm van het geheel, zoals de aar, het hoofdje, dat veel kleine bloemen op een bloembodem verenigt en op een enkele bloem lijkt, het scherm, waarvan de bloemstelen uit een punt ontspringen, en de tros. Het type bloeiwijze is een van de kenmerken bij het determineren van plantenfamilies.

Zie ook: aromatisch, kruidachtig

Bron: terminologie voor het determineren van planten

botanisch synoniem

Synonymie ontstaat wanneer één plant meer dan één wetenschappelijke naam krijgt, bijvoorbeeld door onafhankelijke beschrijvingen of door overplaatsing naar een ander geslacht na een taxonomische revisie. Binnen een classificatie wordt slechts één naam geaccepteerd en krijgen de overige namen de status van synoniem. Databanken als Plants of the World Online en World Flora Online zetten deze gelijkstellingen op een rij, wat verwarring voorkomt bij het vergelijken van studies en etiketten met verschillende namen.

Zie ook: basioniem, geaccepteerde naam

Bron: Plants of the World Online (Royal Botanic Gardens, Kew)

C

capsule

Harde capsules worden gevuld met poeders of droge extracten, terwijl zachte capsules meestal oliën of andere vloeistoffen bevatten. Het omhulsel beschermt de inhoud en maskeert onaangename smaken, en de keuze tussen dierlijke gelatine en plantaardige cellulose is relevant voor wie veganistisch of vegetarisch eet. In de plantkunde betekent capsule iets anders: een droge vrucht die openspringt om de zaden vrij te laten, in het Nederlands meestal doosvrucht genoemd en zonder verband met de toedieningsvorm.

Zie ook: extract, poeder

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.)

carotenoïde

Carotenoïden zijn tetraterpenoïden met veertig koolstofatomen. Ze worden verdeeld in carotenen, die alleen uit koolstof en waterstof bestaan, zoals alfacaroteen, bètacaroteen en lycopeen, en xanthofyllen, die zuurstof bevatten, zoals luteïne en zeaxanthine. In groene bladeren wordt hun kleur gemaskeerd door chlorofyl en komt ze pas tevoorschijn wanneer dat wordt afgebroken. Sommige carotenoïden zijn in het menselijk lichaam een voorloper van vitamine A, en de onderzochte eigenschappen verschillen per verbinding.

Zie ook: anthocyaan, terpenoïde

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

contra-indicatie

Contra-indicaties kunnen absoluut zijn, wanneer gebruik in alle gevallen moet worden vermeden, of relatief, wanneer gebruik alleen na zorgvuldige afweging en onder begeleiding verantwoord is. Een contra-indicatie weegt zwaarder dan de waarschuwing dat gebruik niet wordt aanbevolen, en de twee zijn niet uitwisselbaar. Vaak genoemde omstandigheden zijn allergie voor een bestanddeel, borstvoeding, gelijktijdig gebruik van andere geneesmiddelen, leeftijd en zwangerschap.

Zie ook: bijwerking, geneesmiddeleninteractie

Bron: standaard farmacologische terminologie

coumarine

Tot de klasse behoren eenvoudige coumarinen, furanocoumarinen en pyranocoumarinen, met voorbeelden als coumarine zelf, psoraleen, scopoletine en umbelliferon. Ze komen veel voor in families als Apiaceae, Fabaceae en Rutaceae. Sommige furanocoumarinen veroorzaken huidreacties bij blootstelling aan zonlicht. Natuurlijke coumarine moet niet worden verward met antistollingsmiddelen als acenocoumarol, fenprocoumon en warfarine, die synthetisch gemodificeerde coumarinederivaten zijn.

Zie ook: fytochemische stof, glycoside

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

cultivar

Het woord is een samentrekking van het Engelse cultivated variety, en de naamgeving valt onder de International Code of Nomenclature for Cultivated Plants. Anders dan de botanische variëteit ontstaat een cultivar door gecontroleerde vermeerdering, kruising of selectie en blijft hij alleen behouden door menselijk ingrijpen, via enten, gecontroleerde zaadteelt of stekken. Cultivars van dezelfde soort kunnen verschillen in gehalte aan inhoudsstoffen, geur en kleur.

Zie ook: soort, variëteit

Bron: International Code of Nomenclature for Cultivated Plants (ICNCP)

D

decoctie

In de fytotherapie kiest men voor decoctie wanneer de bestanddelen van het plantenmateriaal niet voldoende vrijkomen door alleen contact met heet water. Het materiaal gaat in het water, wordt enige tijd aan de kook gehouden en daarna gezeefd, en de verkregen vloeistof heet afkooksel of decoct. Doordat plant en water samen koken, komen ook moeilijker oplosbare verbindingen vrij, maar warmtegevoelige stoffen kunnen daarbij afbreken. Daarin zit het belangrijkste verschil met infusie.

Zie ook: infusie, thee

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.)

dosering

De dosering staat in de bijsluiter en hangt vaak af van aandoening, gewicht en leeftijd van de gebruiker. Verwar dosering niet met dosis, de hoeveelheid per keer, en evenmin met de gehaltebepaling in het laboratorium, waarbij wordt vastgesteld hoeveel van een stof een product bevat. In de fytotherapie geldt een dosering alleen voor het beschreven preparaat en mag ze niet worden overgenomen voor een andere bereidingsvorm of concentratie van dezelfde plant. In Vlaanderen en in vakliteratuur komt ook posologie voor.

Zie ook: dosis

Bron: standaard farmacologische terminologie

dosis

In de farmacologie is de dosis de hoeveelheid per inname, terwijl de dosering het volledige gebruiksschema beschrijft, inclusief duur en frequentie. Bij plantaardige preparaten hangt de dosis af van de concentratie van het extract, de toedieningsvorm en het gebruikte plantdeel, zodat waarden van het ene preparaat niet op het andere over te zetten zijn. De marge tussen een werkzame dosis en een dosis met toxische effecten verschilt per stof. Daarom is de dosis een van de belangrijkste veiligheidsfactoren.

Zie ook: dosering, toxiciteit

Bron: standaard farmacologische terminologie

E

eenjarig

In de plantkunde verwijst eenjarig naar de levenscyclus en niet naar de leeftijd van een individuele plant. Een eenjarige gaat binnen hooguit een jaar, vaak zelfs binnen enkele maanden, van kieming via zaadzetting naar afsterven. Het voortbestaan van de soort hangt af van de zaden, die het ongunstige seizoen in de bodem overbruggen. Veel akkeronkruiden en bladgroenten zijn eenjarig. Sommige overblijvende soorten uit warme streken worden in gebieden met strenge winters als eenjarige gekweekt, wat iets zegt over de teelt en niet over de biologie van de plant.

Zie ook: overblijvend, tweejarig

Bron: standaard botanische terminologie

endemisch

Een endemische soort komt van nature alleen voor in een afgebakend gebied, dat zo groot kan zijn als een land of een bioom en zo klein als een enkele bergtop. Elke endemische soort is inheems in haar gebied, maar niet elke inheemse soort is endemisch. Endemisme komt vaak voor op geïsoleerde plaatsen zoals eilanden en bergen, en soorten met een zeer klein areaal zijn doorgaans kwetsbaarder voor habitatverlies. Een endemische plant die elders wordt gekweekt, blijft endemisch voor haar gebied van herkomst.

Zie ook: ingeburgerd, inheems

Bron: terminologie van de plantengeografie

etherische olie

Etherische oliën bestaan vooral uit fenylpropanoïden, monoterpenen en sesquiterpenen, opgeslagen in klierharen, oliekanalen en secretieholten van bladeren, bloemen, schillen en vruchten. Ondanks de naam zijn het geen vetten, en ze verdampen zonder vlek. De samenstelling hangt af van het chemotype, de soort en de winningsmethode. Het zijn geconcentreerde producten waarvan diverse bestanddelen de huid kunnen irriteren of bij inname giftig kunnen zijn, en inwendig gebruik hoort daarom niet zonder deskundig advies plaats te vinden.

Zie ook: fytochemische stof, terpenoïde

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

extract

Oplosmiddel en concentratiegraad bepalen het subtype. Een waterig extract wordt alleen met water gemaakt, terwijl een hydroalcoholisch extract op basis van water en ethanol alcohol bevat, net als het geconcentreerde vloeibare extract. Een droog extract ontstaat door het oplosmiddel volledig te laten verdampen en heeft de vorm van een poeder. De Europese Farmacopee onderscheidt daarnaast gestandaardiseerde en gekwantificeerde extracten, met een vastgelegd gehalte aan bepaalde bestanddelen, wat vergelijking tussen partijen mogelijk maakt.

Zie ook: poeder, tinctuur

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.)

F

farmacopee

Landen en regio's kunnen een eigen farmacopee hebben. Voorbeelden zijn de Europese Farmacopee (Ph. Eur.), uitgegeven door het EDQM van de Raad van Europa en ook in Nederland van kracht, en de United States Pharmacopeia. Voor geneeskrachtige planten beschrijven farmacopeemonografieën botanische kenmerken, grenswaarden voor verontreinigingen, identificatietests en minimumgehalten aan markerstoffen, zodat echt materiaal van vervalst materiaal te onderscheiden is.

Zie ook: geneeskrachtige plant, monografie

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.), EDQM

flavonoïde

Het basisskelet telt vijftien koolstofatomen, verdeeld over twee aromatische ringen die via een centrale ring met elkaar verbonden zijn. Tot de klasse behoren subgroepen als anthocyanidinen, flavan-3-olen, flavanonen, flavonen en flavonolen, met bekende voorbeelden als apigenine, catechine, kaempferol en quercetine. In de plant spelen ze een rol bij het afschermen van ultraviolette straling en bij de kleuring. Ze worden veel farmacologisch onderzocht, en de eigenschappen verschillen per verbinding.

Zie ook: anthocyaan, fytochemische stof, tannine

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

fytochemische stof

De term omvat stoffen die een plant aanmaakt om met haar omgeving in wisselwerking te staan, zoals afweermoleculen tegen herbivoren en micro-organismen, geurstoffen en pigmenten. De concentratie varieert met bodem, klimaat, oogsttijdstip, plantendeel en soort. Veel fytochemische stofklassen worden farmacologisch onderzocht, maar de eigenschappen verschillen per verbinding en hangen ook af van de bereidingswijze.

Zie ook: alkaloïde, flavonoïde, terpenoïde

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

fytotherapie

Fytotherapie omvat zowel zelfbereide preparaten als industrieel vervaardigde kruidengeneesmiddelen. In Nederland vallen de gebruikte producten, afhankelijk van samenstelling en aanprijzing, onder de geneesmiddelenwetgeving, met het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG-MEB) als beoordelende instantie, of onder de Warenwet, bijvoorbeeld als voedingssupplement. Fytotherapie verschilt van homeopathie, die op andere principes berust, en van de farmacologie van geïsoleerde stoffen, omdat ze met het geheel aan plantbestanddelen werkt.

Zie ook: geneeskrachtige plant, kruidengeneesmiddel

Bron: Richtlijn 2001/83/EG, gewijzigd bij Richtlijn 2004/24/EG; CBG-MEB

G

geaccepteerde naam

Welke naam geaccepteerd wordt, hangt af van de nomenclatuurregels, zoals de prioriteit van publicatie, maar ook van de taxonomische opvatting die een referentiebron volgt. Twee databanken kunnen daardoor een tijdlang van elkaar afwijken. Internationaal worden meestal Plants of the World Online en World Flora Online geraadpleegd, en voor de inheemse soorten in Brazilië geldt de Flora e Funga do Brasil als referentie.

Zie ook: botanisch synoniem, wetenschappelijke naam

Bron: World Flora Online

geneeskrachtige plant

De term zegt iets over het gebruik, niet over werkzaamheid of veiligheid. Binnen één soort kan het ene plantdeel worden gebruikt terwijl een ander deel giftig is, en identificatie aan de hand van de wetenschappelijke naam voorkomt verwarring tussen planten met vergelijkbare volksnamen. De Europese regelgeving noemt de meestal gedroogde plant of het plantdeel een kruidensubstantie. Pas het toegelaten of geregistreerde eindproduct, dat via kruidenpreparaten tot stand komt, heet kruidengeneesmiddel.

Zie ook: fytotherapie, kruidengeneesmiddel, toxiciteit

Bron: WHO-richtlijnen voor de beoordeling van kruidengeneesmiddelen; Richtlijn 2004/24/EG

geneesmiddeleninteractie

Een interactie kan het verwachte effect versterken of verzwakken en soms nieuwe effecten veroorzaken. Ze verloopt via farmacokinetische mechanismen, wanneer de ene stof de afbraak, opname of uitscheiding van de andere beïnvloedt, of via farmacodynamische mechanismen, wanneer beide op dezelfde aangrijpingspunten in het lichaam inwerken. Plantaardige preparaten bevatten meerdere werkzame bestanddelen en kunnen een wisselwerking aangaan met reguliere geneesmiddelen. Daarom is het belangrijk arts of apotheker te informeren over alle gebruikte middelen, ook voedingssupplementen.

Zie ook: bijwerking, contra-indicatie

Bron: standaard farmacologische terminologie

geslacht

Het geslacht staat in de rangorde tussen de familie en de soort. De naam is een gelatiniseerd zelfstandig naamwoord dat met een hoofdletter en cursief wordt geschreven en het eerste deel vormt van de binomen van elke soort. Planten uit hetzelfde geslacht lijken morfologisch vaak op elkaar, maar kunnen in chemische samenstelling sterk verschillen, waardoor determinatie tot op soortniveau nodig blijft.

Zie ook: plantenfamilie, soort, wetenschappelijke naam

Bron: International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (ICN)

glycoside

Het karakter van een glycoside wordt bepaald door het aglycon, zodat men onder meer spreekt van antrachinonglycosiden, cyanogene glycosiden, fenolische glycosiden en flavonoïdglycosiden. Is de gebonden suiker glucose, dan heet de verbinding specifiek een glucoside. De binding aan een suiker maakt de stof meestal beter oplosbaar in water, en bij hydrolyse komt het aglycon vrij. Amygdaline, rutine en salicine zijn bekende voorbeelden.

Zie ook: anthocyaan, flavonoïde, saponine

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

H

herbarium

Elk exemplaar, een herbariumvel of herbariumspecimen, krijgt een etiket met datum, determinatie, verzamelaar en vindplaats. Herbaria bewaren ook de typespecimens, die vastleggen op welke plant een wetenschappelijke naam betrekking heeft. Bij onderzoek naar medicinale planten maakt een gedeponeerd exemplaar van de onderzochte plant, het zogeheten voucherspecimen, latere controle van de determinatie mogelijk. In Brazilië beheert het Jardim Botânico do Rio de Janeiro een van de grootste collecties van het land.

Zie ook: soort, taxon, wetenschappelijke naam

Bron: standaard botanisch glossarium

I

in vitro

In-vitro-onderzoek vormt de basis van de hiërarchie van wetenschappelijk bewijs. Het maakt snel en goedkoop testen van mechanismen mogelijk, maar de gebruikte concentraties en de geïsoleerde omgeving geven zelden weer wat er in het lichaam gebeurt, waar afbraak, opname en uitscheiding een rol spelen. Een in-vitroresultaat is daarom een vertrekpunt voor verder onderzoek en geen bewijs van een effect bij mensen. De tegenhanger is in vivo, onderzoek in levende organismen, zowel dieren als mensen.

Zie ook: klinische studie, wetenschappelijk bewijs

Bron: standaard methodologische terminologie van evidence-based medicine

infusie

In de fytotherapie wordt infusie vooral toegepast bij teer plantenmateriaal, waarvan de aromatische en vluchtige bestanddelen bij langdurig koken verloren zouden gaan. Anders dan bij decoctie kookt het materiaal niet mee, en anders dan bij maceratie wordt er warmte gebruikt. Wie de pot tijdens het trekken afdekt, laat minder vluchtige stoffen met de stoom ontsnappen. In de volksmond heet het resultaat thee, terwijl infusie in medische context ook een infuus via een ader kan betekenen.

Zie ook: decoctie, maceratie, thee

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.)

ingeburgerd

Een ingeburgerde soort is een uitheemse plant die door menselijk handelen buiten haar oorspronkelijke areaal terecht is gekomen en zich daar buiten cultuur vestigt. Ze voltooit zelfstandig haar levenscyclus en vormt populaties die meerdere generaties standhouden. Ze verschilt van een soort die alleen in cultuur voorkomt en zonder verzorging verdwijnt, en van een inheemse soort, die op natuurlijke wijze in het gebied is gekomen. Niet elke ingeburgerde soort is invasief, een term die is voorbehouden aan soorten die zich sterk uitbreiden en hun leefomgeving veranderen.

Zie ook: inheems, invasief

Bron: terminologie van de invasiebiologie

inheems

In de plantengeografie is een soort inheems of autochtoon in een gebied wanneer ze door natuurlijke evolutie en verspreiding deel uitmaakt van de plaatselijke flora, zonder transport door de mens. Het begrip is altijd gebonden aan een gebied: dezelfde plant kan inheems zijn op het ene continent en ingevoerd op een ander. Inheems betekent niet exclusief, want een soort die inheems is in Brazilië kan ook in buurlanden voorkomen. Is het natuurlijke verspreidingsgebied beperkt tot een enkel gebied, dan spreekt men van een endemische soort.

Zie ook: endemisch, ingeburgerd, invasief

Bron: terminologie van de plantengeografie

invasief

In de ecologie is een invasieve soort een ingeburgerde exoot die zich ver buiten de plaatsen van introductie verspreidt en daar gevolgen heeft, zoals concurrentie met inheemse planten, veranderingen in de bodem of het brandregime en schade aan de landbouw. Invasie is de laatste fase van een proces dat begint met introductie en via inburgering verloopt, en lang niet elke ingeburgerde soort bereikt die fase. Ongewenste planten in een gewas heten in de landbouw onkruid, ook als ze inheems zijn. De ecologische betekenis staat los van het medische gebruik van invasief.

Zie ook: ingeburgerd, inheems

Bron: terminologie van de invasiebiologie

K

kataplasma

In de volkstraditie wordt een cataplasma gemaakt door plantenmateriaal te kneuzen, te koken of te raspen tot een vochtige massa, soms gebonden met klei of meel. Het wordt altijd uitwendig gebruikt, direct op de huid of met een dunne doek ertussen. Anders dan bij een kompres wordt de plantenmassa zelf aangebracht, niet alleen een vloeistof waarmee een doek is doordrenkt. Omdat sommige planten de huid irriteren, is het bij deze bereidingsvorm belangrijk goed op de reactie van de huid te letten.

Zie ook: kompres

Bron: gangbare farmaceutische terminologie

klimplant

Een klimplant heeft een lange, buigzame stengel die steun zoekt bij andere structuren in plaats van te investeren in een stam die zichzelf kan dragen. De manier van vasthechten verschilt per soort: doornen of haken, hechtwortels, ranken en windende stengels die zich om de steun slingeren. Klimplanten kunnen kruidachtig of houtig zijn, en de houtige klimplanten van tropische bossen worden lianen genoemd.

Zie ook: kruidachtig, struik

Bron: terminologie van de plantenmorfologie

klinische studie

Klinische studies doorlopen opeenvolgende fasen, van kleine groepen waarin de veiligheid centraal staat tot grote studies naar werkzaamheid. De meest betrouwbare opzet is de dubbelblinde gerandomiseerde gecontroleerde studie, waarin loting de deelnemers over de groepen verdeelt en noch zij noch de onderzoekers weten wie de interventie of de placebo krijgt. Kleine, korte of ongecontroleerde studies zijn minder betrouwbaar. In Nederland moet zulk onderzoek vooraf door een erkende medisch-ethische toetsingscommissie worden goedgekeurd.

Zie ook: in vitro, wetenschappelijk bewijs

Bron: ICH E6 (Good Clinical Practice)

kompres

In de fytotherapie is een kompres een vorm van uitwendige toepassing waarbij stof een vloeibaar preparaat opneemt en enige tijd op de betreffende plek blijft liggen. Het verschil met een kataplasma is dat de plantenmassa zelf niet wordt gebruikt, alleen de vloeistof die ervan is gemaakt. De temperatuur hoort bij de techniek, en bij warme kompressen is voorzichtigheid geboden om brandwonden te voorkomen, vooral bij kinderen, mensen met een verminderd gevoel in de huid en ouderen.

Zie ook: decoctie, infusie, kataplasma

Bron: gangbare farmaceutische terminologie

kruidachtig

Een kruidachtige plant heeft een stengel die zacht blijft en weinig lignine afzet, in tegenstelling tot bomen en struiken, die hout vormen. De bovengrondse delen blijven meestal laag en kunnen bij overblijvende soorten afsterven en vanuit ondergrondse organen opnieuw uitlopen. Het begrip beschrijft de structuur en niet de levensduur, want er zijn eenjarige, tweejarige en overblijvende kruidachtigen. Het bijvoeglijk naamwoord wordt ook gebruikt voor plantendelen, zoals de jonge, nog niet verhoute twijgen van een houtige soort.

Zie ook: klimplant, overblijvend, struik

Bron: terminologie van de plantenmorfologie

kruidengeneesmiddel

De keten loopt van geneeskrachtige plant via kruidensubstantie, de meestal gedroogde plant of het plantdeel, en kruidenpreparaat naar het eindproduct. Naast een volledig dossier kent de EU twee routes: well-established use, op basis van gepubliceerde wetenschappelijke gegevens (Richtlijn 2001/83/EG), en registratie als traditioneel kruidengeneesmiddel op basis van langdurig, veilig gebruik (Richtlijn 2004/24/EG). In Nederland beoordeelt het CBG-MEB deze aanvragen.

Zie ook: fytotherapie, geneeskrachtige plant, traditioneel gebruik

Bron: Richtlijn 2001/83/EG, gewijzigd bij Richtlijn 2004/24/EG

L

lignaan

Lignanen ontstaan via dezelfde biosyntheseroute als lignine, het polymeer dat hout zijn stevigheid geeft, maar het zijn kleine moleculen die niet met lignine verward moeten worden. Bekende voorbeelden zijn matairesinol, pinoresinol, podofyllotoxine en secoisolariciresinol. Sommige lignanen worden door darmbacteriën omgezet in zogeheten enterolignanen, en de onderzochte eigenschappen verschillen per verbinding.

Zie ook: flavonoïde, fytochemische stof

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

M

maceratie

Als extractievloeistof kan alcohol, azijn, plantaardige olie of water dienen, en het product heet maceraat. Omdat er geen warmte aan te pas komt, blijven stoffen behouden die bij infusie of decoctie zouden afbreken. Een waterig maceraat bederft echter snel, want bij kamertemperatuur kunnen micro-organismen zich gemakkelijk vermenigvuldigen. In de farmaceutische technologie is maceratie in alcohol een van de klassieke methoden om tincturen te bereiden.

Zie ook: extract, infusie, tinctuur

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.)

monografie

Bij kruidengeneesmiddelen worden vooral de EU-monografieën van het Comité voor kruidengeneesmiddelen (HMPC) van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) aangehaald, die per indicatie aangeven of het om well-established use of om traditioneel gebruik gaat. Ook ESCOP en de Wereldgezondheidsorganisatie publiceren monografieën, met doorgaans botanische identificatie, contra-indicaties, dosering, interacties en waarschuwingen. Ze verschillen van farmacopeemonografieën, die op de kwaliteitscontrole van de grondstof zijn gericht.

Zie ook: farmacopee, traditioneel gebruik

Bron: EU-monografieën van het HMPC (Europees Geneesmiddelenbureau)

O

ondersoort

De ondersoort volgt op de binomen en wordt voorafgegaan door subsp. of ssp., zoals in Origanum vulgare subsp. hirtum. Meestal gaat het om populaties met een eigen verspreidingsgebied en stabiele morfologische verschillen, die zich wel nog kunnen kruisen met andere populaties van dezelfde soort. Binnen de infraspecifieke rangen staat de ondersoort boven de variëteit.

Zie ook: soort, variëteit

Bron: International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (ICN)

overblijvend

Een overblijvende plant leeft langer dan twee jaar. Bij veel soorten sterven de bovengrondse delen in de winter of het droge seizoen af, terwijl bollen, wortels of wortelstokken in de bodem overleven en in een gunstige periode opnieuw uitlopen. Bomen en de meeste struiken zijn houtige overblijvende planten, maar er bestaan ook talrijke kruidachtige. Het begrip staat tegenover eenjarig en tweejarig, twee groepen planten die na een enkele vruchtzetting afsterven.

Zie ook: eenjarig, kruidachtig, tweejarig

Bron: standaard botanische terminologie

P

plantenfamilie

In de botanische rangorde staat de familie tussen de orde en het geslacht. Familienamen eindigen in principe op -aceae, maar de nomenclatuurcode staat voor enkele families een traditionele naam als alternatief toe, zoals Compositae naast Asteraceae en Labiatae naast Lamiaceae. Wie de familie kent, herkent sneller verwantschappen en overeenkomsten in samenstelling, al hebben soorten uit dezelfde familie niet vanzelf dezelfde toepassingen of risico's.

Zie ook: geslacht, soort, taxon

Bron: International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (ICN)

poeder

In de farmaceutische technologie ontstaat plantenpoeder door het materiaal te drogen en te malen, soms gevolgd door zeven om de deeltjes op grootte te scheiden. Anders dan een droog extract bevat poeder het volledige plantenmateriaal, zonder scheiding door een oplosmiddel, zodat de samenstelling die van de oorspronkelijke plant volgt. Blootstelling aan licht, lucht en vocht versnelt de afbraak, en daarom is bewaring in een goed gesloten verpakking belangrijk voor de kwaliteit.

Zie ook: capsule, extract

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.)

polysacharide

In planten dienen polysachariden als energiereserve, zoals inuline en zetmeel, of als bouwstof van de celwand, zoals cellulose, hemicellulose en pectine. Ook gommen en slijmstoffen behoren tot deze groep en verklaren de stroperige textuur van sommige waterige extracten. Polysachariden worden farmacologisch en voedingskundig onderzocht, en hun eigenschappen hangen af van de ketenlengte en de betrokken suikers.

Zie ook: glycoside, slijmstof

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

S

saponine

De naam gaat terug op het Latijnse sapo, zeep, vanwege de oppervlakteactieve werking die aan die van wasmiddelen doet denken. Saponinen worden ingedeeld in steroïdsaponinen, vaak bij eenzaadlobbigen, en triterpeensaponinen, die veel voorkomen bij tweezaadlobbigen. Diosgenine, een steroïdaglycon, en glycyrrhizine zijn onderzochte voorbeelden. Sommige saponinen irriteren de slijmvliezen en zijn giftig voor vissen, wat voorzichtigheid bij gebruik vereist.

Zie ook: glycoside, terpenoïde

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

siroop

De suiker geeft siroop zijn consistentie, maskeert bittere smaken en helpt het product te conserveren. In farmacopees is de basissiroop een geconcentreerde sacharoseoplossing, en een siroop voor medicinaal gebruik krijgt daarnaast extracten of tincturen, waardoor hij alcohol kan bevatten. Zelfgemaakte siropen met honing of suiker zijn korter houdbaar. Het suikergehalte is van belang voor wie de inname van koolhydraten moet beperken, en honing is niet geschikt voor baby's jonger dan een jaar.

Zie ook: extract, tinctuur

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.)

slijmstof

Slijmstoffen worden gevormd door gespecialiseerde cellen of weefsellagen, zoals de buitenste laag van bepaalde zaden. Ze onderscheiden zich van gommen doordat ze een normaal bestanddeel van de plant zijn, terwijl gommen meestal pas na verwonding als exsudaat ontstaan. In de farmacognosie wordt met een zwelproef gemeten welk volume een afgewogen hoeveelheid plantaardig materiaal na opzwellen in water inneemt. Bij infusies en koudwaterextracten wordt de stroperige textuur snel merkbaar.

Zie ook: glycoside, polysacharide

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

soort

In de plantkunde wordt een soort aangeduid met een binomen: de geslachtsnaam gevolgd door een soortaanduiding (epitheton) in kleine letters, zoals Matricaria chamomilla. Over de afbakening van soorten bestaat niet altijd overeenstemming, en taxonomische revisies kunnen soorten in de loop der tijd splitsen of samenvoegen. In de fytotherapie is een juiste determinatie essentieel, omdat soorten uit hetzelfde geslacht chemisch sterk kunnen verschillen.

Zie ook: geslacht, ondersoort, wetenschappelijke naam

Bron: International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (ICN)

struik

Een struik is een overblijvende houtige plant die zelden hoger wordt dan enkele meters en zich vlak boven de grond vertakt in meerdere stengels van ongeveer gelijke dikte. Het onderscheid met een boom, die een duidelijke hoofdstam heeft, is praktisch van aard en kent tussenvormen zoals de boomvormige struik. Een halfheester is alleen aan de voet houtig en heeft kruidachtige bovenste twijgen. Het woord struikachtig beschrijft deze groeiwijze en ook vegetatie die door struiken wordt gedomineerd.

Zie ook: klimplant, kruidachtig, overblijvend

Bron: terminologie van de plantenmorfologie

T

tannine

Looistoffen worden verdeeld in twee hoofdgroepen: gecondenseerde tannines, ook proanthocyanidinen genoemd, die zijn opgebouwd uit flavan-3-oleenheden, en hydrolyseerbare tannines, afgeleid van ellaginezuur en galluszuur. Doordat ze eiwitten neerslaan, werden ze van oudsher gebruikt om huiden te looien, en ze verklaren het droge, ruwe mondgevoel bij onrijp fruit of zwarte thee. In farmacologisch onderzoek verschillen de eigenschappen per type en per verbinding.

Zie ook: flavonoïde, fytochemische stof

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

taxon

Het meervoud is taxa, naar het Latijn. Het begrip geldt voor alle niveaus van de rangorde, van de grote afdelingen tot de rangen onder de soort, en vormt de eenheid waarmee systematiek en taxonomie werken. Met een term als infraspecifiek taxon, gebruikt voor ondersoorten en variëteiten, wordt aangegeven op welk punt in de hiërarchie een groep zich bevindt.

Zie ook: geslacht, plantenfamilie, soort

Bron: standaard botanisch glossarium

terpenoïde

De indeling volgt het aantal isopreeneenheden: monoterpenen hebben er twee, zoals limoneen en menthol, sesquiterpenen drie, zoals bisabolol en caryofylleen, diterpenen vier en triterpenen zes. Strikt genomen is een terpeen een koolwaterstof en omvat de term terpenoïde ook de zuurstofhoudende derivaten, maar in de praktijk worden beide termen vaak door elkaar gebruikt. Ook carotenoïden en triterpeensaponinen horen bij deze grote stofgroep.

Zie ook: carotenoïde, etherische olie, saponine

Bron: Pharmacognosy (Trease and Evans)

thee

In botanische en handelsterminologie verwijst thee uitsluitend naar bereidingen van Camellia sinensis, de plant waaruit groene, oolong-, witte en zwarte thee worden gemaakt. In het dagelijks taalgebruik noemen we echter ook kruidenaftreksels thee, terwijl technische teksten die, afhankelijk van de methode, als infusie of decoctie omschrijven. Een product met thee in de naam bevat daarom niet per se Camellia sinensis.

Zie ook: decoctie, infusie

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.)

tinctuur

Farmacopees omschrijven een tinctuur als een alcoholisch of hydroalcoholisch preparaat, verkregen door maceratie of percolatie in een vaste verhouding tussen plantenmateriaal en oplosmiddel. Het alcoholgehalte is een wezenlijk kenmerk en verdient bijzondere aandacht bij kinderen, mensen met een alcoholverslaving, mensen met een leveraandoening en zwangeren, en verder bij iedereen die om een andere reden alcohol moet of wil vermijden. Vergeleken met een vloeibaar extract is een tinctuur meestal minder geconcentreerd.

Zie ook: extract, maceratie

Bron: Europese Farmacopee (Ph. Eur.)

toxiciteit

De toxicologie onderscheidt acute toxiciteit, die optreedt na eenmalige of kortdurende blootstelling, van chronische toxiciteit, die samenhangt met herhaald gebruik over langere tijd. Wanneer de schade zich vooral in één orgaansysteem voordoet, spreekt men van orgaanspecifieke toxiciteit. Het aan Paracelsus toegeschreven principe dat de dosis het vergif maakt, geldt evenzeer voor stoffen van plantaardige oorsprong: natuurlijk betekent niet vrij van toxiciteit.

Zie ook: bijwerking, dosis

Bron: standaard toxicologische terminologie

traditioneel gebruik

Op grond van Richtlijn 2004/24/EG kan een kruidengeneesmiddel worden geregistreerd als ten minste dertig jaar medicinaal gebruik is gedocumenteerd, waarvan minimaal vijftien jaar binnen de EU, en de veiligheid voldoende is onderbouwd. Zo'n registratie berust op een lange gebruiksgeschiedenis en maakt werkzaamheid aannemelijk, maar staat niet gelijk aan werkzaamheid die in klinische studies is aangetoond. Daarom vermelden zulke producten op de verpakking dat de indicatie uitsluitend berust op langdurig gebruik.

Zie ook: klinische studie, monografie, wetenschappelijk bewijs

Bron: Richtlijn 2004/24/EG

tweejarig

Een tweejarige plant besteedt het eerste jaar aan vegetatieve groei, vaak als een bladrozet vlak bij de grond met een wortel die reservestoffen opslaat. In het tweede jaar vormt de plant een bloeistengel, zet zaad en sterft af. Bij veel soorten komt de bloei pas op gang na een koudeperiode, een proces dat vernalisatie heet. In klimaten zonder uitgesproken winter gedragen sommige tweejarigen zich als eenjarige of blijven ze langer in leven.

Zie ook: eenjarig, overblijvend

Bron: standaard botanische terminologie

V

variëteit

De botanische variëteit is een infraspecifieke rang die onder de nomenclatuurcode valt en verwijst in principe naar populaties die in het wild zijn ontstaan. Ze moet niet worden verward met de cultivar, die planten aanduidt die door de mens zijn geselecteerd en in cultuur worden gehouden. Bij cultuurgewassen wordt de rang uit traditie ook gebruikt, zoals bij Brassica oleracea var. capitata, de sluitkool.

Zie ook: cultivar, ondersoort

Bron: International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (ICN)

W

wetenschappelijk bewijs

Evidence-based medicine ordent onderzoek in een hiërarchie. In-vitroresultaten zijn het meest voorlopig, gevolgd door dierstudies, klinische studies bij mensen en, bovenaan, systematische reviews die meerdere studies bundelen. Een effect dat in cellen of bij dieren wordt gezien, wijst een onderzoeksrichting aan, maar bewijst niet dat het ook bij mensen optreedt. De term klinisch bewijs is voorbehouden aan gegevens die bij mensen zijn verzameld.

Zie ook: in vitro, klinische studie, traditioneel gebruik

Bron: standaard methodologische terminologie van evidence-based medicine

wetenschappelijke naam

Het binomiale systeem werd in 1753 vastgelegd door Linnaeus in Species Plantarum, het officiële startpunt van de botanische nomenclatuur. De volledige naam kan de afgekorte naam bevatten van de auteur die de soort beschreef, zoals in Melissa officinalis L., waarbij L. voor Linnaeus staat. Anders dan volksnamen, die van streek tot streek verschillen, is de wetenschappelijke naam uniek en maakt hij precies duidelijk om welke plant het gaat.

Zie ook: geaccepteerde naam, geslacht, soort

Bron: International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (ICN)

wortelstok

Hoewel een wortelstok op een wortel lijkt, is het een omgevormde stengel met knopen, internodiën, tot schubben gereduceerde bladeren en okselknoppen, structuren die wortels niet bezitten. Hij slaat zetmeel en andere reservestoffen op, waardoor de plant ongunstige perioden kan overleven en zich vegetatief kan vermeerderen, omdat elk fragment met een knop een nieuwe plant kan vormen. Wortelstokken komen veel voor bij overblijvende kruidachtige planten. Ze verschillen van uitlopers, die bovengronds lopen, en van stengelknollen, die als ronde opslagorganen dienen.

Zie ook: kruidachtig, overblijvend

Bron: terminologie van de plantenmorfologie